praktijkvoering
Praktijkondersteuner moet vooral kleine kwalen behandelen
Praktijkondersteuning komt voornamelijk ten goede aan de zorg voor
chronische patiënten in de huisartsenpraktijk. Het werk van de huisarts
is echter grotendeels gericht op kortdurende zorgvragen. Juist hier is
werkdrukvermindering te bereiken. Een nieuwe taak voor de ‘opgepluste’
doktersassistente?Ongerustheid
over het tekort aan huisartsen en de toenemende werkbelasting door
vergrijzing en consumentisme leiden momenteel tot veel aandacht voor de
huisartsenzorg. De geluiden uit de huisartsenwereld zelf verschillen:
sommigen zien louter bedreigingen voor het vak, anderen zien een
uitdaging en kans op vernieuwing van de organisatie van huisartsenzorg.
Praktijkondersteuning heeft een positief effect op de kwaliteit van zorg
bij chronische aandoeningen en wordt ook gezien als hét panacee voor de
werkbelasting van de huisarts. Veel huisartsen twijfelen echter aan dat
laatste. Praktijkondersteuning moet volgens het convenant tussen VWS, ZN
en LHV in opzet voor minimaal 50 procent zijn gericht op categorale zorg
- volgens NHG-standaarden - bij chronische aandoeningen. Diabetes
mellitus en astma/COPD zijn verplicht en kunnen eventueel worden
aangevuld met andere chronische aandoeningen.
Het werk van de huisarts is echter voor het grootste deel gericht op
kortdurende zorgvragen. Als werkdrukverlichting het doel is, kan de blik
beter worden gericht op het delegeren van andere onderdelen van het werk
van de huisarts.
Huisartsen delegeren van oudsher taken aan de praktijkassistente: het
behandelen van wratten, de oren uitspuiten, reizigers vaccineren, de
bloeddruk meten, onderzoek bij blaasontsteking, en het verzorgen van
schaafwonden.
Een aantal huisartsen geeft dan ook de voorkeur aan het ‘opplussen’ van
hun ervaren doktersassistente en een grote mate van vrijheid in het
delegeren van taken boven de praktijkondersteuning door verpleegkundigen
volgens het hedendaagse model. Dan rijst de vraag: in welke mate kan
praktijkondersteuning volgens het hedendaags model de werkdruk voor de
huisarts verlichten en zijn er op basis van de praktijk van alledag
andere keuzen te maken?
Om te kunnen bijdragen aan de gedachtevorming over vraagsturing en het
delegeren van taken binnen de huisartsenzorg als voorziening is er een
inventarisatie gemaakt van de zorgvragen en de geboden zorg in de
praktijken van het registratienetwerk van de Universitaire
Huisartspraktijken Leiden en Omstreken (RNUH-LEO).

Pragmatische verdeling
Voor een inventarisatie van de zorgvragen zoals die zich in de
huisartsenpraktijk presenteren, is de geboden zorg onderverdeeld in
kortdurende zorg en blijvende zorg, in hoofdzaak aangeboden door eerste
lijn of door tweede en derde lijn. De mogelijke zorgvragen, klachten,
symptomen en aandoeningen zijn met bijbehorende ICPC-codering op een
pragmatische manier verdeeld over de vier groepen. Onder kortdurende
eerstelijnszorg vallen vrijwel alle symptoomdiagnosen (ICPC-codes
.01-.29), kleine kwalen, distorsies en sociale problemen (geheel
hoofdstuk Z). Kortdurende tweedelijnszorg omvat onderzoek en
tweedelijnsbehandeling, bijvoorbeeld bij appendicitis acuta, acuut
myocardinfarct, acute meniscuslaesies. Aangeboren afwijkingen in alle
ICPC-hoofdstukken zijn hier ook ondergebracht, omdat daarbij minimaal
een kortdurend tweedelijnsonderzoek/interventie plaatsvindt.
Blijvende zorg is vereist bij chronische aandoeningen. Of het om
eerste-, tweede- of derdelijnszorg gaat, wordt bepaald door het echelon
waar de patiënt in hoofdzaak wordt gecontroleerd, behandeld of begeleid.
Zo is angina pectoris een eerstelijnsaandoening en zijn alle
maligniteiten tweedelijns (met uitzondering van maligniteiten van de
huid, die zijn ondergebracht bij kortdurend tweedelijns). Uitstrijkjes
in het kader van het bevolkingsonderzoek op baarmoederhalskanker en de
jaarlijkse griepvaccinatie worden als preventief (eerstelijns)zorgaanbod
buiten beschouwing gelaten.
De medewerkers in de netwerkpraktijken registreren hun patiëntcontacten
episodegewijs, waarbij (deel)contacten worden geordend per contactreden.
De contactreden kan een startcontact zijn van een nieuwe zorgepisode of
een vervolgcontact. Eén contact (consult, visite) met de patiënt kan uit
meerdere deelcontacten bestaan als de patiënt meerdere
zorgvragen/contactredenen aan de orde stelt. De werkbelasting per
zorgepisode wordt weergegeven in aantal deelcontacten per ICPC-code per
jaar. De analyse betrof alle consulten en visites van de
huisartsenpraktijken binnen kantooruren, met de bijbehorende
deelcontacten uit het medisch journaal van één jaar (augustus
2000/augustus 2001).
Het registratienetwerk RNUH-LEO telt een populatie van circa 30.000
patiënten met een leeftijds- en geslachtsverdeling conform de
Nederlandse bevolking. De populatie verschilt wat betreft
verzekeringsvorm van de Nederlandse bevolking door een hoger percentage
particulier verzekerenden: 51,1 procent respectievelijk 38 procent. Het
netwerk bestaat uit drie gezondheidscentra en een duopraktijk en telde
in het jaar van analyse twintig huisartsen, zowel fulltime als parttime
werkend, evenzoveel praktijkassistenten en twee praktijkondersteuners.

Kortdurende zorg
De deelcontacten waren in 94 procent van de gevallen gekoppeld aan een
met ICPC gecodeerde episode. Patiënten bezoeken de huisartsenpraktijk
voornamelijk voor klachten en symptomen die kortdurende zorg vragen: 76
procent van alle contacten is kortdurende eerstelijnszorg. Het gemiddeld
aantal contacten bij deze zorgepisoden is 1,5 (tabel 1). Patiënten met
aandoeningen die kortdurende zorg vragen in de tweede lijn, hebben
hiervoor gemiddeld ook 1,7 contacten in de eerste lijn. Deze zorg maakt
4,8 procent van de totale zorgvraag uit.
Tabel 2 (zie de versie op de MC-site, Red.) toont de ICPC-gecodeerde
vragen voor kortdurende zorg met de toptwintig werkdiagnosen in de
eerste lijn en de toptien in de tweede lijn.

Binnen de toptwintig van de werkdiagnosen in de eerste lijn zijn vooral
vragen over het bewegingsapparaat, luchtwegen en huidaandoeningen sterk
vertegenwoordigd. Van alle vragen om kortdurende zorg in de eerste lijn
heeft 31,4 procent te maken met huid (hoofdstuk S 19%) of luchtwegen
(hoofdstuk R 12,4%), zie figuur 1.

Naast vraaggerichte, kortdurende zorg
biedt de huisartsenpraktijk blijvende zorg voor een aantal
chronische aandoeningen, zoals hypertensie, diabetes mellitus en astma/COPD.
Monitoring en behandeling van deze aandoeningen bepaalde 17 procent van
het werk. Ook bij chronische aandoeningen die primair in de tweede/derde
lijn worden behandeld, werd de huisarts met gemiddeld 2,4 contacten per
zorgepisode per jaar om hulp gevraagd (tabel 1).

Tabel 3 (zie de versie op de MC-site, Red.) presenteert de toptien
diagnosen met blijvende zorg in de eerste, tweede en derde lijn. Binnen
het segment ‘blijvende eerstelijnszorg’ bepalen hypertensie met 34,4
procent (K86: 30,5% + K87: 3,9%) en diabetes mellitus met 14,7 procent
samen 49,1 procent van de zorg. De contactfrequentie komt redelijk
overeen met de in de NHG-standaarden aanbevolen driemaandelijkse
monitoring. Astma en COPD (7% respectievelijk 3%) bepalen samen in
totaal 10 procent van alle deelcontacten.

Figuur 2 toont de ICPC-hoofdstukverdeling voor blijvende zorg in de
eerste lijn. Opvallend is de omvang van de zorg voor cardiovasculaire
aandoeningen (hoofdstuk K) met 42,3 procent.
Kleine kwalen
Ruim 80 procent van het werk in de huisartsenpraktijk bestaat uit
kortdurende zorg, gericht op vragen van patiënten over diagnostiek,
uitleg of behandeling van een breed scala aan klachten en symptomen van
veelal kleine kwalen. Van de aandoeningen die kortdurende zorg vragen,
wordt een klein deel in hoofdzaak in de tweede lijn behandeld. Het
gemiddeld aantal contacten bij de kortdurende zorgepisode die in de
eerste lijn wordt behandeld, is bijzonder laag.
Daarnaast wordt 20 procent van de huisartsenzorg besteed aan chronische
aandoeningen, grotendeels als primaire zorgvoorziening.
Praktijkondersteuning wordt in opzet ingezet ten behoeve van categorale
zorg bij diabetes mellitus en astma/COPD. Bij maximale inzet van de
praktijkondersteuner bij diabeteszorg is een reductie van de totale
werkbelasting van de huisarts te behalen van maximaal 1,8 procent (3 van
de 4 contacten per jaar x 14,7% x 17%). De huisarts beperkt zijn aandeel
in de zorg dan tot slechts één controle per jaar. Bij de zorg voor astma
is een vermindering van de werkdruk te behalen van maximaal 0,6 procent
(de helft van het aantal contacten x 7% x 17%) en bij COPD is het
rendement maximaal 0,3 procent (2 van de 3 contacten x 3% x 17%) wanneer
de huisarts maximaal één controle per jaar zelf doet. Actieve opsporing
van COPD-patiënten in het kader van kwaliteitsbeleid leidt zeker ook tot
meer werk voor de huisarts zelf. Meer rendement van
praktijkondersteuning in het segment ‘blijvende zorg’ is te behalen bij
cardiovasculaire zorg, van controle van hypertensie en opsporen van
hoogrisicopatiënten tot en met begeleiding van patiënten met hartfalen.
De maximale ‘winst’ hier is 7,2 procent (3 van de 4 contacten x 42,3% x
17%).
Als werkdrukverlichting het doel is, is er vooral rendement te behalen
door inzet van ondersteunend personeel in het segment ‘kortdurende
zorg’. De taken die van origine aan de praktijkassistente (kunnen)
worden gedelegeerd, zoals behandeling van wratten, oren uitspuiten,
reizigersvaccinaties, bloeddrukmetingen, onderzoek bij blaasontsteking
en verzorging van schaafwonden, betreffen al snel circa 10 procent van
de kortdurende eerstelijnszorgvragen. Klachten van de luchtwegen en de
huid bepalen 31,4 procent van de vraag om kortdurende zorg in de eerste
lijn. In dit segment is pas echt een substantiële werkdrukvermindering
te bereiken, zeker wanneer kleine traumata van het bewegingsapparaat
worden toegevoegd. Uit het oogpunt van werkdrukvermindering lijkt
kortdurende zorg eerder het werkdomein voor de praktijkondersteuner dan
zorg bij chronische aandoeningen als astma en COPD.
Hulppersoneel
Voor het adequate deskundigheidsniveau valt te denken aan specifieke
modules op deze gebieden, die aan de opleidingen tot
praktijkondersteuner worden aangeboden. De voorziening huisartsenzorg
kan dan beschikken over een functionaris naast de huisarts en
praktijkassistente, die een groot aantal kleine kwalen zelfstandig
behandelt. Mogelijk is deze praktijkondersteuner/nursepractitioner, al
of niet met inloopspreekuur, ook voor de Nederlandse patiënt een
deskundig alternatief voor de dokter met een volle afsprakenlijst.
Om het hulppersoneel in de huisartsenpraktijk optimaal te kunnen
inzetten, is het nodig de contactreden te weten. Medewerking van de
patiënt is hier vereist voor goede vraagsturing.
Het groeiend tekort aan huisartsen is een uitdaging om op een creatieve
en voortvarende manier onderzoek te doen naar veranderingen van de
organisatie van de huisartsenzorg als voorziening. Dit onderzoek moet
vooral zijn gericht op instroommanagement, triage en delegeren van
taken, gestuurd door de praktijk van alledag.
A.P.Timmers,
huisarts
drs. M.W.M. de Waal,
epidemioloog
drs. R.S.G. Ong,
onderzoeker
dr. F.W. Dijkers,
huisarts
Leids Universitair Medisch Centrum,
afdeling Huisartsgeneeskunde en Verpleeghuisgeneeskunde
Correspondentieadres: Postbus 2088,
2301 CB Leiden,
e-mail: atimmers@knmg.nl
SAMENVATTING
l Op dit moment wordt praktijkondersteuning in de huisartsenpraktijk
ingezet in het kader van
kwaliteitsbeleid en komt grotendeels ten goede aan de zorg bij diabetes
mellitus en astma/COPD.
l Gegevens uit het registratienetwerk RNUH-LEO laten zien dat maximale
inzet van een praktijkondersteuner bij diabeteszorg 1,8
procent en bij zorg voor astma en COPD 0,9 procent reductie van de
dagelijkse werkbelasting van de huisarts geeft. Meer ‘winst’ valt te
behalen bij cardiovasculaire zorg.
l Ruim 80 procent van het werk in de huisartsenpraktijk bestaat uit
kortdurende zorg gericht op een breed scala van veelal kleine kwalen.
Een derde hiervan bestaat uit klachten van de luchtwegen en huid.
l In dit segment is substantiële werkdrukvermindering te bereiken, zeker
wanneer kleine traumata van het bewegingsapparaat worden toegevoegd.
l Mogelijk ligt hier een nieuw werkdomein voor de ervaren
praktijkassistente die via specifieke scholingsmodules op te plussen is
tot praktijkondersteuner/nurse practitioner voor kleine kwalen.
Referenties
l Huisarts in de eerstelijnszorg. Discussienota NPCF. l Een perspectief
voor de eerstelijnsgezondheidszorg. Commissie Modernisering Eerste Lijn
(commissie-Van der Grinten). l Huisartsenzorg in 2012: Medische zorg in
de buurt. Toekomstvisie huisartsenzorg van LHV en NHG. l De
praktijkverpleegkundige in de huisartsenpraktijk: resultaten van een
quasi-experimentele studie. Een onderzoek van het Centre for Quality of
Care Research (WOK), UMC St Radboud. l Ebbens EH. Delegeren in de
huisartsenpraktijk. Medisch Contact 2002; 12: 463-5. l Myers PC, Lenci
B, Sheldon MG. A nurse practitioner as the first point of contact for
urgent medical problems in a general practice setting. Family practice
1997; 6: 492-7. l Kinnersley P, Anderson E, Parry K, Clement J, Archard
L et al. Randomised controlled trial of nurse practitioner versus
general practitioner care for patients requesting ‘same day’
consultations in primary care. BMJ 2000; 320: 1043-8. |