aansprakelijkheid bij beroepsfouten                                    

 

 

Huisartsen kunnen in aanraking komen met vier vormen van aansprakelijkheid bij beroepsfouten: de strafrechtelijke, de tuchtrechtelijke, de civielrechtelijke (tussen burgers onderling) en de bestuursrechtelijke aansprakelijkheid.

 

1          strafrechtelijke aansprakelijkheid

De strafrechtelijke aansprakelijkheid betreft de schade die door een persoon, bijvoorbeeld een medewerker, wordt veroorzaakt. De strafrechtelijke aansprakelijkheid is onafhankelijk van de arbeidsrechtelijke situatie.

Voor een feit kunnen meerdere personen strafrechtelijk worden vervolgd en veroordeeld. Indien voor zowel de praktijkondersteuner als de huisarts geldt dat hun handelen valt binnen een delicts­omschrijving, valt niet alleen de praktijkondersteuner maar ook de huisarts een strafrechtelijk verwijt te maken. Er is dan sprake van zogeheten ‘mededaderschap’. Een voorbeeld is dat de praktijkondersteuner een fout heeft gemaakt in de voorbereiding of de uitvoering, en de huisarts verzuimd heeft voldoende controle en toezicht uit te oefenen.

 

2          tuchtrechtelijke aansprakelijkheid

Het tuchtrecht strekt er speciaal toe de kwaliteit van de beroepsbeoefening te bewaken. In vergelijking met het strafrecht en het civiele recht biedt het tuchtrecht ruimere mogelijkheden om tekortschietende beroepsbeoefenaren tot de orde te roepen of te corrigeren. Daarnaast zijn strafrechtelijke en civielrechtelijke bepalingen vaak te algemeen om adequaat te kunnen worden toegepast op bijzondere situaties in de gezondheidszorg.

 

In de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) worden voorbehouden handelingen beschreven die alleen door artsen mogen worden verricht. Op grond van de Wet BIG mag de huisarts hiervoor aan de praktijkondersteuner opdracht geven als hij redelijkerwijs mag aannemen dat de praktijkondersteuner bekwaam is tot het verrichten van die handeling. Daarnaast dient de huisarts, indien dat redelijkerwijs nodig is, aanwijzingen te geven en dient de mogelijkheid van toezicht en tussenkomst door de huisarts voldoende verzekerd te zijn. Iedere praktijkondersteuner kan in opdracht van de huisarts en onder de gestelde voorwaarden de voorbehouden handelingen verrichten (zie Wet BIG).

 

Het tuchtrecht van de Wet BIG beperkt zich tot het optreden van een geregistreerde beroepsbeoefenaar. Niet het beroep dat iemand feitelijk uitoefent, maar de titel waaronder hij staat ingeschreven, geeft de doorslag.De geregistreerde verpleegkundige (met Hbo-V-diploma) die als praktijkondersteuner werkt, is zelfstandig onderworpen aan tuchtrechtspraak indien een medische fout wordt gemaakt. Deze praktijkondersteuner is voor de uitvoering van alle handelingen zelf verantwoordelijk en aansprakelijk.Bij een niet-geregistreerde praktijkondersteuner (Mbo-gediplomeerd met aanvullende opleiding) kan geen beroep worden gedaan op het tuchtrecht. Deze kan dus alleen strafrechtelijk en civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld. De huisarts kan evenwel als tekortschietende beroepsbeoefenaar tuchtrechtelijk worden veroordeeld voor het houden van te weinig toezicht op de niet-geregistreerde praktijkondersteuner die hij opdrachten geeft.

De huisarts is verantwoordelijk voor de fouten die hij zelf maakt. Het is voorgekomen dat tuchtrechters artsen ook hebben aangesproken voor het slecht functioneren van het organisatorisch verband waarvan hij deel uitmaakt, bijvoorbeeld een maatschap of stichting. De huisarts dient de praktijk zo te organiseren dat de praktijkondersteuner verantwoord kan werken, bijvoorbeeld door regelmatig en voldoende toezicht op en overleg met de praktijkondersteuner(s).

 

3          civielrechtelijke aansprakelijkheid

In gewone civiele procedures gaat het veelal om vorderingen tot schadevergoeding, naar aanleiding van (beweerde) fouten van hulpverleners. Een huisarts kan civielrechtelijk aansprakelijk worden gesteld indien er sprake is van tekortkoming die hem kan worden toegerekend.

Van een toerekenbare tekortkoming is sprake als door een fout van een huisarts een risico is ontstaan dat zich heeft verwezenlijkt. Ook in gevallen waarin de huisarts geen verwijt kan worden gemaakt, kan het volgens het civiele recht redelijk zijn hem aansprakelijk te houden voor de veroorzaakte schade. Een maatstaf is dat een huisarts voortdurend dient te handelen met inachtneming van de professionele standaard, dat wil zeggen dat hij zorg­vuldig en redelijk handelt en dat hij bijblijft op zijn vakgebied. De huisarts kan ook civielrechtelijk aansprakelijk zijn voor fouten gemaakt door medewerkers. Deze aansprakelijkheid geldt ook voor schade verricht buiten een behandelingsovereenkomst. Bijvoorbeeld in geval de praktijkondersteuner op weg naar een patiënt een ongeluk veroorzaakt in het verkeer en daarbij schade ontstaat. Indien een praktijkondersteuner wordt ingeleend van een andere huisarts of organisatie, kunnen zowel de ‘inlener’ als ‘uitlener’ door een derde worden aangesproken voor de gehele schade. De praktijkondersteuner zelf hoeft alleen bij te dragen in de schadevergoeding als de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.

 

4          bestuursrechtelijke aansprakelijkheid en verrichtingen

In de Kwaliteitswet Zorginstellingen is de plicht van instellingen opgenomen om verantwoorde zorg te verlenen, een kwaliteitssysteem te implementeren en een kwaliteitsjaarverslag naar de Inspectie voor Volksgezondheid te sturen. De wet biedt tevens de mogelijkheid voor de inspectie en de minister om te kunnen ingrijpen bij onverantwoorde zorg.

Elk samenwerkingsverband van twee of meer hulpverleners is aan te merken als een instelling in de zin van de kwaliteitswet. Indien de samenwerking niet het verlenen van zorg betreft, maar het gebruiken van dezelfde administratieve en huishoudelijke voorzieningen, zou deze samenwerking buiten de kwaliteitswet kunnen vallen. In die gevallen is het raadzaam dit af te stemmen met de inspectie.