Schakel de arts in als bij een diabetespatiënt met hypertensie de bloeddruk hoger dan 160/90 mmHg is. Laat de patiënt na twee weken voor controle komen als de bloeddruk hoger dan 150/85 mmHg is; schakel de arts in als de bloeddruk dan nog hoger dan150/85 mmHg is.
Achtergrond
Meten van de bloeddruk
Bij het meten van de bloeddruk ontstaan gemakkelijk fouten. De gevoelige en intensief gebruikte apparatuur kan foute waarden geven, maar ook de meting zelf kan misgaan. Bekend is bijvoorbeeld de voorkeur om bloeddrukwaarden af te ronden op 5 mmHg, terwijl de NHG-Standaard Hypertensie adviseert om op 2 mmHg nauwkeurig af te lezen. Het is ook onjuist de diagnose hypertensie reeds te stellen op grond van een verhoogde bloeddruk tijdens één of twee consulten. De bloeddruk varieert in de tijd en daardoor kan het resultaat van de eerste meting hoger zijn dan het gemiddelde van herhaalde metingen. Men dient daarom vervolgmetingen te verrichten in drie tot vijf consulten en de gemiddelde bloeddruk te bepalen.
Materialen
De manchet
De bloeddrukmeter moet een manchet hebben van ten minste 13x30 cm.
Een goed functionerende bloeddrukmeter is een eerste voorwaarde voor betrouwbare meetresultaten. De kwikmanometer moet jaarlijks gecontroleerd worden (een kwikmanometer hoeft niet ‘geijkt’ te worden aangezien het een fysisch en niet een mechanisch of elektronisch instrument is). De controle gaat als volgt:
De manchet wordt om een (melk)fles met dikke buik gewikkeld en opgepompt met gesloten ventiel. Het ventiel, dat zich bevindt tussen ballon en slang, bevat een luchtfilter. Het oppompen moet zonder problemen verlopen. Indien dit niet het geval is, wordt de ballon van het ventiel afgenomen, wordt het filter geïnspecteerd en zo nodig schoongemaakt (doorblazen). Als de manchet voldoende is opgepompt (250 mmHg), mag de druk niet terugvallen. Indien dat wel het geval is, bestaat er een lek in de manchet, in het slangensysteem of in de koppelverbindingen. Het lek kan worden opgespoord, zoals dat ook gebeurt bij een lekke fietsband. Een bak met water of een beetje zeepsop is dan voldoende om het lek te lokaliseren. Is er een lek, dan moet het betreffende onderdeel worden vervangen.
Bij open ventiel moet de meter, na het leeglopen van de manchet, weer op de nulstand staan. De plaats waar de kwikkolom het glas van de stijgbuis raakt (kwikmeniscus), moet dan precies 0 aanwijzen. Indien dat niet het geval is, moet het kwikreservoir worden bijgevuld. Dit kan het best door een instrumentenmaker of medische apparatuurwinkel worden gedaan.
Omdat het kwik kan vervuilen (oxyderen) en de buis daardoor niet meer goed leesbaar is, wordt de buis zo nodig schoongemaakt. De kwikmanometer wordt op zijn kant gelegd met het kwikreservoir naar beneden, waarna het reservoir wordt afgesloten met het sluitklepje. De bevestiging boven de buis wordt gedemonteerd en de buis wordt verwijderd. Pas op dat de pakkingen niet het zoekraken! De buis wordt met een pijpenreiniger schoongemaakt en weer teruggeplaatst. Het luchtfilter boven de buis moet volledig doorlaatbaar zijn. Er moet een snelle beweging zijn van de kwikkolom bij het opblazen en het ontledigen van de manchet. Als de manometer erg is vervuild, kan het nodig zijn het kwik en de filters te controleren. Ook hiervoor is de instrumentenmaker het juiste adres. Indien de bloeddrukmeter is gecontroleerd en eventueel te plegen onderhoud is verricht, wordt met bijvoorbeeld een sticker de controledatum op de meter genoteerd, zodat de controlefrequentie kan worden bewaakt.
De kwikmanometer mag vanaf 1 januari 2003 niet meer worden verkocht. Gebruik en onderhoud van kwikmeters die vóór die datum zijn gekocht, blijft wel toegestaan.
De veermanometer is een goed alternatief voor de kwikbloeddrukmeter. De veermanometer is een kwetsbaar instrument, dat minstens eens per jaar moet worden geijkt. U kunt ervoor kiezen de veermanometer ieder jaar naar de instrumentenmaker te brengen. Maar u kunt het ijken ook zelf uitvoeren. Als ijkpunt (‘gouden standaard’) voor de veermanometer geldt een gereinigde en gecontroleerde kwikmanometer. Wikkel de manchet om een fles met dikke buik en koppel beide manometers door middel van een T-stukje aan de manchet. Na oppompen moet de veermanometer dezelfde druk bereiken als de kwikmanometer, waarbij opvalt dat de veermanometer sneller op drukveranderingen reageert dan de kwikmanometer (door het zware kwik). Toont de veermanometer afwijkingen, dan kan een instrumentenmaker deze meestal repareren.
In steeds meer huisartspraktijken wordt gebruikgemaakt van elektronische bloeddrukmeters. De elektronische meter kan de kwikmanometer nog niet volledig vervangen, want uit onderzoek blijkt dat deze bij sommige patiënten geen betrouwbare meetuitslag geeft. Helaas is niet te voorspellen bij welke patiënten van afwijkingen sprake is. Het gebruik van de elektronische bloeddrukmeter heeft echter een aantal voordelen. De bloeddrukmeting is minder tijdrovend en de meetverschillen tussen praktijkmedewerkers onderling zijn gering.
Voor het gebruik van een elektronische bloeddrukmeter geldt het volgende advies:
meet bij een diabetespatiënt met hypertensie, twee keer de bloeddruk met een kwikmanometer en twee keer met een elektronische bloeddrukmeter. Is het verschil tussen het gemiddelde van de kwikmetingen en het gemiddelde van de elektronische metingen minder dan 10 mmHg, dan kan in het vervolg de elektronische bloeddrukmeter worden gebruikt. Is het verschil groter, blijf dan bij de betreffende patiënt de kwikmanometer gebruiken;
meet bij diabetespatiënten bij wie eerder geen hypertensie was geconstateerd, de bloeddruk met een kwikmanometer. Als deze hoger is dan 150/85 mmHg, verricht dan vervolgmetingen. Bij de eerste vervolgmeting wordt twee keer met een kwikmanometer en twee keer met een elektronische bloeddrukmeter gemeten. Is het verschil tussen het gemiddelde van de kwikmetingen en het gemiddelde van de elektronische metingen minder dan 10 mmHg, dan kan voor de vervolgmetingen de elektronische bloeddrukmeter worden gebruikt. Is het verschil groter, dan moeten alle metingen bij de betreffende patiënt met de kwikmanometer worden gedaan.
De kwikmanometer blijft dus de gouden standaard en kan (nog) niet worden gemist!
Meten van de bloeddruk
Patiënt en praktijkmedewerker zitten op stoelen van normale hoogte aan een tafel waarop de bloeddrukmeter staat. Vóór de meting moet de patiënt minimaal vijf minuten rustig hebben gezeten, bijvoorbeeld doordat eerst de anamnese is afgenomen. De bloeddrukmeter staat zodanig opgesteld dat tijdens de meting de kwikkolom op ooghoogte kan worden afgelezen. Tijdens het meten wordt niet gesproken.
Alle patiënten worden aan de rechter arm gemeten. Bij uitzonderingen, b.v. vrouwen na een mamaämputatie met okselkliertoilet of wanneer rechts slecht te meten is en links beter gaat, moet dat in het scherm gemeld gaan worden d.m.v. een aanwijzing op de stamkaart.
De manchet wordt zó hoog om de ontblote bovenarm (steeds dezelfde arm nemen) gelegd, dat de onderrand enkele centimeters boven de elleboogplooi ligt. Er mag geen kleding tussen arm en manchet liggen en de kleding aan de bovenarm mag niet knellen. De onderarm en de handrug liggen ontspannen op de tafel; het midden van de manchet moet zich ter hoogte van het midden van het borstbeen bevinden.
De membraan van de stethoscoop wordt op de slagader in de elleboogplooi geplaatst en de manchet wordt met gesloten ventiel snel opgepompt tot circa 200 mmHg. Als er dan nog vaattonen worden gehoord, verder oppompen tot 249 mmHg.
Het ventiel van de ballon wordt zover geopend dat de meter met een snelheid van 2 millimeter per seconde (ongeveer 2 millimeter per hartslag) daalt.
De systolische druk (bovendruk) wordt afgelezen op het moment dat de eerste van een serie regelmatige tonen wordt gehoord (Korotkoff I).
Als diastolische druk (onderdruk) wordt de waarde gebruikt op het moment waarop de laatste toon heeft geklonken (Korotkoff V). Alleen wanneer de tonen hoorbaar blijven tot (dichtbij) 0 mmHg, wordt de waarde genoteerd van het punt waarop de tonen ophouden duidelijk tikkend (kloppend) van karakter te zijn (Korotkoff IV). Deze waarde noteren met daarachter /0, dus bijvoorbeeld 162/86/0. Bij onduidelijkheid hierover: als de praktijkassistente of praktijkondersteuner heeft gemeten, dan ook de huisarts laten meten.
Het dalen van het kwik mag niet onderbroken worden door bijvoorbeeld opnieuw op te pompen. Door stuwing worden dan te hoge waarden afgelezen. Tussen twee metingen moet de luchtkamer helemaal leeg worden gemaakt, zodat de tweede meting begint vanaf de nulstand.
De bloeddrukwaarde wordt op 2 millimeter nauwkeurig afgelezen en aldus genoteerd. Als het niveau zich tussen twee afleeswaarden bevindt, moet naar boven worden afgerond. Het punt waar de kwikkolom (die bol is) het glas van de stijgbuis raakt, is het punt dat wordt afgelezen.
(discussie en onderzoek?) De bloeddruk wordt per sessie twee keer gemeten volgens bovenstaande werkwijze en het gemiddelde wordt genoteerd (de gemiddelde waarde kan oneven zijn).
De eerste keer wordt de bloeddruk aan beide armen gemeten. Bij een verschil in diastolische of systolische bloeddruk van 10 mmHg of meer wordt bij de volgende metingen de bloeddruk gemeten aan de arm waar de hoogste waarde werd gevonden. Bij een verschil kleiner dan 10 mmHg wordt de bloeddruk steeds aan één en dezelfde arm (naar keuze welke) gemeten. Binnen een praktijk kan worden afgesproken aan welke arm men als regel meet.
|