Protocol
bloeddrukmeting
-
De
bloeddruk wordt gemeten:
-
bij
patiënten bij wie diabetes zojuist ontdekt is;
-
minstens
driemaandelijks bij diabetespatiënten met hypertensie;
-
minstens
jaarlijks bij diabetespatiënten zonder eerder vastgestelde hypertensie.
-
De meting
wordt als volgt verricht:
-
de
patiënt heeft eerst minimaal vijf minuten rustig gezeten;
-
tijdens
de meting wordt niet gesproken;
-
het
midden van de manchet ligt ter hoogte van het midden van het borstbeen;
-
oppompen
tot 200 mmHg, zo nodig tot 240 mmHg ingeval nog vaattonen worden
gehoord;
-
de
kwikkolom met een snelheid van 2 millimeter per seconde laten dalen;
-
de
systolische bloeddruk aflezen op het moment dat de tonen hoorbaar
worden. De diastolische bloeddruk aflezen op het moment dat de tonen
geheel verdwijnen. Alleen wanneer de tonen hoorbaar blijven tot
(dichtbij) 0 mmHg. wordt de waarde genoteerd bij het punt waarop de
tonen ophouden duidelijk tikkend (kloppend) van karakter te zijn. Deze
waarde noteren met daarachter /0;
-
de
bloeddruk met een nauwkeurigheid van 2 mmHg aflezen;
-
tijdens
het eerste consult de bloeddruk aan beide armen meten. Bij een verschil
in diastolische bloeddruk of systolische bloeddruk van 10 mmHg of meer
wordt bij de volgende consulten de bloeddruk gemeten aan de arm waar de
hoogste waarde werd gevonden. In andere gevallen wordt de bloeddruk
steeds aan de rechterarm gemeten (of linkerarm, als de praktijk daarvoor
heeft gekozen);
-
meet de
bloeddruk tijdens een consult tweemaal en noteer het gemiddelde.
-
Indien de
bloeddruk van een diabetespatiënt bij wie nog geen hypertensie was
geconstateerd, hoger is dan 150/85 mmHg volgen vervolgmetingen.
Bij
een diastolische bloeddruk tussen 85 en 104 mmHg of bij een systolische
bloeddruk van 150 mmHg of hoger zijn voor het stellen van de diagnose
hypertensie ten minste vijf vervolgconsulten nodig in de loop van drie tot
zes maanden. Bij een diastolische bloeddruk van 105 mmHg of hoger zijn
voor het stellen van de diagnose hypertensie ten minste drie
vervolgconsulten nodig in de loop van enkele weken tot drie maanden. Als
tijdens drie vervolgconsulten steeds een diastolische bloeddruk lager dan
85 mmHg en een systolische bloeddruk lager dan 150 mmHg is gemeten, kunnen
verdere metingen achterwege blijven. Bepaal de hoogte van de diastolische
bloeddruk en de systolische bloeddruk op basis van het aantal geadviseerde
meetwaarden. Laat hierbij de eerste meting, de ingangsmeting, buiten
beschouwing.
Schakel de
arts in als bij een diabetespatiënt met hypertensie de bloeddruk hoger dan
160/90 mmHg is. Laat de patiënt na twee weken voor controle komen als de
bloeddruk hoger dan 150/85 mmHg is; schakel de arts in als de bloeddruk dan
nog hoger dan150/85 mmHg is.
-
De
bloeddruk wordt geregistreerd in het
Medicom protocol (of het Diagnostisch Dossier). Zo mogelijk
wordt de datum voor de volgende bloeddrukmeting vermeld.
< Terug |
Vooruit >