Protocol bloeddrukmeting

 

  1. De bloeddruk wordt gemeten:
    1. bij patiënten bij wie diabetes zojuist ontdekt is;
    2. minstens driemaandelijks bij diabetespatiënten met hypertensie;
    3. minstens jaarlijks bij diabetespatiënten zonder eerder vastgestelde hypertensie.
  2. De meting wordt als volgt verricht:
    1. de patiënt heeft eerst minimaal vijf minuten rustig gezeten;
    2. tijdens de meting wordt niet gesproken;
    3. het midden van de manchet ligt ter hoogte van het midden van het borstbeen;
    4. oppompen tot 200 mmHg, zo nodig tot 240 mmHg ingeval nog vaattonen worden gehoord;
    5. de kwikkolom met een snelheid van 2 millimeter per seconde laten dalen;
    6. de systolische bloeddruk aflezen op het moment dat de tonen hoorbaar worden. De diastolische bloeddruk aflezen op het moment dat de tonen geheel verdwijnen. Alleen wanneer de tonen hoorbaar blijven tot (dichtbij) 0 mmHg. wordt de waarde genoteerd bij het punt waarop de tonen ophouden duidelijk tikkend (kloppend) van karakter te zijn. Deze waarde noteren met daarachter /0;
    7. de bloeddruk met een nauwkeurigheid van 2 mmHg aflezen;
    8. tijdens het eerste consult de bloeddruk aan beide armen meten. Bij een verschil in diastolische bloeddruk of systolische bloeddruk van 10 mmHg of meer wordt bij de volgende consulten de bloeddruk gemeten aan de arm waar de hoogste waarde werd gevonden. In andere gevallen wordt de bloeddruk steeds aan de rechterarm gemeten (of linkerarm, als de praktijk daarvoor heeft gekozen);
    9. meet de bloeddruk tijdens een consult tweemaal en noteer het gemiddelde.
  3. Indien de bloeddruk van een diabetespatiënt bij wie nog geen hypertensie was geconstateerd, hoger is dan 150/85 mmHg volgen vervolgmetingen.

    Bij een diastolische bloeddruk tussen 85 en 104 mmHg of bij een systolische bloeddruk van 150 mmHg of hoger zijn voor het stellen van de diagnose hypertensie ten minste vijf vervolgconsulten nodig in de loop van drie tot zes maanden. Bij een diastolische bloeddruk van 105 mmHg of hoger zijn voor het stellen van de diagnose hypertensie ten minste drie vervolgconsulten nodig in de loop van enkele weken tot drie maanden. Als tijdens drie vervolgconsulten steeds een diastolische bloeddruk lager dan 85 mmHg en een systolische bloeddruk lager dan 150 mmHg is gemeten, kunnen verdere metingen achterwege blijven. Bepaal de hoogte van de diastolische bloeddruk en de systolische bloeddruk op basis van het aantal geadviseerde meetwaarden. Laat hierbij de eerste meting, de ingangsmeting, buiten beschouwing.

 

Schakel de arts in als bij een diabetespatiënt met hypertensie de bloeddruk hoger dan 160/90 mmHg is. Laat de patiënt na twee weken voor controle komen als de bloeddruk hoger dan 150/85 mmHg is; schakel de arts in als de bloeddruk dan nog hoger dan150/85 mmHg is.

  1. De bloeddruk wordt geregistreerd in het Medicom protocol (of het Diagnostisch Dossier). Zo mogelijk wordt de datum voor de volgende bloeddrukmeting vermeld.

 

< Terug | Vooruit >