Interpretatie glucosegehalte

 

Bepaling van het glucosegehalte (zie ook protocol)

Er zijn twee methoden om het glucosegehalte te bepalen: in capillair volbloed en in veneus plasma. De meeste, maar lang niet alle, draagbare glucosemeters die gebruikt worden in de huisartspraktijk en waarbij bloed wordt verkregen door middel van een vingerprik, zijn gekalibreerd op bepaling van het glucosegehalte in capillair volbloed. Laboratoria bepalen vaak het glucosegehalte in veneus plasma. Hiervoor gelden (nuchter) hogere referentiewaarden. Ga na welke waarde, capillair volbloed of veneus plasma, als uitslag van uw meter verschijnt (zie hiervoor de handleiding van uw glucosemeter). Controleer ook of u de bij uw meter behorende strips gebruikt.

Bepaling van het nuchtere glucosegehalte heeft in de dagelijkse praktijk de voorkeur, daar de uitslag gemakkelijker te interpreteren is. Van een nuchter glucosegehalte wordt gesproken als ten minste acht uur geen calorieën zijn ingenomen.

 

Evaluatie van de gevonden waarde

 

EERSTE BEPALING

 

Capillair volbloed

Veneus plasma

Normaal

- nuchter glucose

- niet nuchter

≤ 5,5

≤ 7,7

≤ 6,0

≤ 7,7

Niet normaal

- nuchter glucose

- niet nuchter

> 5,5

>11,0

> 6,0

>11,0

Onduidelijk

- niet nuchter

7,8 – 11,0

7,8 – 11,0

 

·         Verricht bij een onduidelijke waarde enkele dagen later een nuchtere bepaling en bezie of de waarde normaal of niet-normaal is.

·         Verricht (vervolgens) bij een niet-normale waarde enkele dagen later een nuchtere bepaling. Stel met behulp van deze bepaling en onderstaand schema de diagnose.

 

LAATSTE BEPALING; NUCHTER GLUCOSE

 

Capillair volbloed

Veneus plasma

Normaal

≤ 5,5

≤ 6,0

Gestoord nuchter glucose

>5,5 en ≤6,0

>6,0 en ≤6,9

Diabetes mellitus

>6,0

>6,9

 

Indien de laatste, nuchtere bepaling normaal is, herhaalt u de meting na drie jaar.

Ingeval van een gestoord nuchter glucosegehalte herhaalt u de meting na drie maanden. Als ook dan de diagnose diabetes mellitus nog niet kan worden gesteld, controleert u jaarlijks.

Wees erop bedacht dat factoren als stress en infectieziekten het glucosegehalte tijdelijk kunnen doen stijgen.

Bepaling van het glucosegehalte met behulp van een strip kan leiden tot afwijkingen. In gevallen waarin u de diagnose diabetes mellitus stelt op grond van een marginaal verhoogde waarde (bijvoorbeeld nuchter 6,2 mmol/l in capillair volbloed, gemeten met een strip), verdient het de voorkeur de meting eerst door een laboratorium te laten herhalen.

Ingeval van diabetes mellitus bepaalt de huisarts of er sprake is van type 1 of type 2 (zie NHG Standaard).

Het is handig als deze interpretatie binnen handbereik ligt in de spreekkamer(s) en op de plaats waar het glucosegehalte wordt bepaald.

 

Achtergrond

 

< Terug | Vooruit >