Indien het niet (meer) lukt de glucosespiegels van patiënten met diabetes
mellitus type 2 met orale bloedglucose verlagende middelen afdoende te
reguleren - te valideren met een bepaling van het glyHb-percentage - is
toediening van exogeen insuline noodzakelijk. De instelling van de patiënt
met diabetes mellitus type 2 met insuline kan door de huisarts zelf worden
verricht, doch hij kan daartoe ook verwijzen naar een collega huisarts of
een internist. Ter voorbereiding op het gebruik van insuline moet de patiënt
eerst leren zijn eigen glucosespiegels te meten (zelfcontrole). Aanbevolen
wordt hiermee al te beginnen op het moment dat de patiënt maximaal met
tabletten moet worden behandeld. Soms is gebruik van insuline slechts
tijdelijk geïndiceerd, bijvoorbeeld bij een infectie.
Randvoorwaarden
Insulinetherapie kan veilig in de eerste lijn worden toegepast, indien aan
de volgende voorwaarden is voldaan:
-
De
huisarts werkt samen met een diabetesverpleegkundige of een op het gebied
van diabetes deskundige wijkverpleegkundige/praktijkondersteuner.
Eén van beiden
zal de patiënt moeten instrueren in het zelf controleren van
het bloedglucosegehalte, de injectietechniek en eventueel het op geleide van
de gemeten bloedglucosewaarden aanpassen van de insulinedosering
(zelfbehandeling).
-
De huisarts heeft een goede samenwerkingsrelatie met een internist die op
de hoogte is van de door de huisarts toegepaste insulineschema's.
-
De patiënt wordt naar een diëtist verwezen. In overleg met de diëtist
wordt bezien of aanpassing van de eetgewoonten nodig is in verband met de
toediening van insuline.
-
De patiënt heeft instructie over de verschijnselen en het beleid bij
hypoglycemie gekregen. De kans op hypoglycemie is bij onderstaande
therapieschema's beperkt, maar niet denkbeeldig. Daarom moet de patiënt
weten wat de eerste verschijnselen zijn en hoe daarop moet worden
gereageerd.
Het instellen
De instelling van een patiënt op insuline kan op twee wijzen geschieden.
Insuline kan zowel aan een bestaande behandeling met tabletten worden
toegevoegd als de tabletten vervangen (zie ook therapie schema). Er is geen duidelijke voorkeur voor één van beide
methoden. Wel verdient het aanbeveling dat de huisarts één schema kiest om
daar ervaring mee op te doen:
-
De combinatietherapie
Indien het niet lukt het glucosegehalte met enkel tabletten afdoende te
reguleren, kan een avonddosering insuline aan de medicatie worden
toegevoegd:
-
begin vooraf aan het gebruik van insuline met het maken van een
vierpuntsdagcurve (nuchter en 2 uur na de 3 hoofdmaaltijden);
-
streef naar nuchtere bloedglucosewaarden van 4,0-7,0 mmol/l en postprandiale
waarden < 10,0 mmol/l;
-
start met toevoeging van 8-12E middellang werkend NPH-insuline voor het
slapen gaan (Humuline NPH of Insulatard);
-
pas de dosering per 2-3 dagen met 2-4E aan op grond van de nuchtere
bloedglucosewaarde;
-
indien blijkt dat meer dan 40E insuline nodig zijn om de nuchtere waarde
onder de 7,0 mmol/l te krijgen of er een aanzienlijke postprandiale
hyperglycemie blijft bestaan, worden de tabletten gestopt en wordt
overgegaan op 2 dd NPH-insuline. De avondinjectie wordt in
onveranderde dosering vervroegd naar vóór het avondeten. De andere injectie
is vóór het ontbijt. Ook daarbij wordt gestart met 8-12E middellang werkend
NPH-insuline;
-
verdere aanpassing van de ochtenddosering geschiedt op geleide van de
postprandiale glucosewaarden;
-
bij onvoldoende correctie van de postprandiale waarden komt een ander
insulineregime in aanmerking. Daartoe wordt overlegd met een internist.
-
Behandeling
met uitsluitend insuline
In deze variant wordt de inname van tabletten gestopt en meteen begonnen met
twee maal daags insuline: ofwel middellang werkend NPH-insuline (Humuline
NPH of Insulatard, niet gekoppeld aan maaltijd) ofwel een
mengsel van kort/middellangwerkend (30/70) insuline (Mixtard 30/70), deze
laatste is gekoppeld aan maaltijd, 20 minuten voor de maaltijd!.
-
begin vooraf aan het gebruik van insuline met het maken van een vierpuntsdagcurve (nuchter en 2 uur na de 3 hoofdmaaltijden);
-
streef naar nuchtere bloedglucosewaarden van 4,0-7,0 mmol/l en postprandiale
waarden < 10,0 mmol/l;
-
begin met 12 E insuline vóór het ontbijt, 6 E insuline vóór het avondeten;
-
pas beide doseringen per 2-3 dagen met 2-4 E aan op grond van het nuchtere
bloedglucose en postprandiale waarden totdat de streefwaarden bereikt zijn
Achtergrond
< Terug |
Vooruit >