Inleiding
Definitie spirometrie
Spirometrie legt van een door de patiënt gegenereerde luchtstroom de grootte, richting en snelheid vast, als een functie van de tijd.
De spirometer
Er zijn technisch een aantal oplossingen voor het meten van de snelheid, de richting en het volume van een luchtstroom. In de huisartsenpraktijk zal het veelal gaan om meters die dit doel bereiken via flowregistratie.
Aan de hand van de gemeten flow, de richting ervan en de tijd zijn alle andere waarden te berekenen. Een moderne spirometer berekent die waarden en presenteert die analoog en/of grafisch op papier of op het scherm: de flow-volumecurve.
De volgende begrippen zijn voor het goede begrip van de rest van dit protocol van belang:
Flow:
De luchtstroom in liters per seconde
PEF Peak
Expiratory Flow:
Maximale volumestroom bij geforceerde uitademing, vanuit volledige
inspiratie, uitgedrukt in liters per minuut. Deze wordt binnen 0.1 seconde
bereikt en houdt ongeveer 0.01 seconde aan.
Personal Best:
De beste PEF-waarde die men in staat was te blazen (zo nodig met behulp
van medicatie). Een persoonlijke referentiewaarde dus.
FEV1
Forced Expiratory:
Volume per second = Eén-secondewaarde Het volume geblazen in één seconde
bij geforceerde expiratie vanuit volledige inspiratie.
Voorspelde waarde:
De FEV1
normaalwaarde gecorrigeerd voor leeftijd, lengte, geslacht en ras.
VC:
Vital Capacity
iVC:
Inspiratory VC
eVC:
Expiratory VC De maximale volumeverandering die de longen kunnen ondergaan
bij een rustige ademhaling. Bij iVC uitgaande van een maximale expiratie
en bij eVC uitgaande van een maximale inspiratie.
FVC:
Forced Vital Capacity Het volume dat maximaal kan worden uitgeademd bij
geforceerde uitademing vanuit een maximale inademing.
Tiffenau- index:
FEV1 / VC De één-secondewaarde als functie van de VC
FER:
Forced Expiratory Rate = (FEV1 / FVC) x 100 %
Niet de index, maar het percentage dat de één-secondewaarde vormt van de
geforceerde vitale capaciteit wordt aangegeven.
RS:
Residual Volume. Het volume wat in de longen achterblijft na een volledige
uitademing
TLC:
Total Lung Capacity = RS + VC. De totale volumecapaciteit van de long.
Achtergrond
Klachten, lichamelijk onderzoek en PEF zijn geen bruikbare instrumenten om de ernst van de longfunctiestoornis bij patiënten met COPD in te schatten en dus ook niet om het ziekteproces te monitoren. Spirometrie is dat wel. Het onderzoek wordt op de longfunctieafdeling van het ziekenhuis uitgevoerd, meestal ook op aanvraag van de huisarts. De laatste jaren zijn er echter vele meters op de markt gekomen die spirometrie in de huisartsenpraktijk tot een haalbaar en interessant alternatief maken. Speciaal voor hen die het laatste overwegen is de NHG-Bouwsteen De Spirometer aan de praktijkhandleiding toegevoegd. Die helpt bij het maken van een keuze uit de beschikbare meters.
Inzet spirometrie
De spirometer heeft een plaats in de (differentiaal-)diagnostiek van astma, COPD en restrictieve longaandoeningen. Restrictieve longaandoeningen vallen buiten het kader van deze handleiding.
Tevens is de spirometer van belang bij het vervolgen van COPD.
Geadviseerd wordt spirometrie als onderzoeksmethode in te zetten bij:
Diagnostiek
Bij het vermoeden van COPD:
aanhoudend klachten van dyspneu en/of hoesten en
> 40 jr en/of
roken in de voorgeschiedenis.
Bij een negatieve reversibiliteitstest bij het oorspronkelijke vermoeden van astma.
Eventueel eenmalig, na een bevestigde PEF-reversibiliteit bij astma, ten bewijze dat er sprake is van een normale longfunctie. (NB: reversibiliteit is wel aan te tonen door middel van PEF , maar het bereiken van een normale longfunctie niet. Ter uitsluiting van de diagnose ‘astma met persisterende obstructie’ is dus een spirometrisch onderzoek nodig.)
Bij een diagnostische steroïdtest. De steroïdtest wordt aangevangen en afgesloten met Spirometrie. Zie voor de uitvoering van de test het protocol.
Controle
COPD: Jaarlijks
Astma: Patiënten met stap 3 medicatie afhankelijk van de omstandigheden.
Interpretatie van de metingen
Steroïdtest
Doel van de steroïdtest is het bepalen van het effect van corticosteroïden
op de klachten en het bepalen van de maximaal haalbare FEV1.
Een negatief testresultaat is bewijzend voor COPD.
Een positief testresultaat, zonder dat daarbij normale longfuncties worden bereikt, is bewijzend voor astma met persisterende obstructie. De gemeten uitslag is tevens de maximaal haalbare longfunctie.
Een positief testresultaat met het bereiken van normale longfuncties past bij astma.
Definitie normale longfunctie:
Bij het vaststellen van referentiewaarden voor de FEV1 en de (F)VC is rekening gehouden met leeftijd, lengte, geslacht en ras. Men spreekt dan meestal van voorspelde waarde.
Er is sprake van normale longfunctie wanneer de longfunctie globaal > 80 % is van de voorspelde waarde.
In het volgende schema vindt u achter ‘:’ een diagnose en achter ‘ ==>‘ een actie.
| (F)VC en FEV1 globaal ≥ 80 % voorspelde waarde |
==> |
COPD uitgesloten, doe reversibiliteitstest |
| Reversibiliteitstest | ||
Positief |
: |
Astma, ondanks normale longfunctie. |
| Negatief |
: |
Geen afwijkingen; maar bij voortduren van de verdenking van astma - herhaal de procedure in een klachtenperiode, of - doe reversibilteitstest thuis met behulp van de piekstroommeter, en/of - doe variabiliteittest. |
(F)VC en FEV1 < 80 % én FER > 70% |
: |
Restrictief longlijden |
| (F)VC en FEV1 < 80 % én FER < 70% voorspelde waarde |
==> |
Doe reversibiliteitstest |
| ==> Reversibiliteitstest | ||
|
Reversibiliteit tot normale longfunctie |
: |
Astma |
| Geen reversibiliteit tot normale longfunctie |
==> |
Doe steroïdtest |
|
==> Steroïdtest |
||
|
Herstel tot normale longfunctie |
: |
Astma |
|
Geen herstel tot normale longfunctie |
==> |
Herhaal direct aansluitend de reversibiliteitstest |
|
==> Reversibiliteitstest bij steroïdtest |
||
| Reversibiliteit tot normale longfunctie |
: |
Astma |
| Reversibiliteit, maar niet tot normale longfunctie |
: |
Astma met persisterende obstructie.
Hiermee is tevens de maximale long-functie bepaald. |
|
Niet normale longfunctie, zonder reversibiliteit |
: |
COPD |
| (F)VC en FEV1 | FER/Tiffeneau | Diagnose (vlgns GOLD) |
| ≥ 80% | < 70 % | Mild COPD |
| 50 - 80 % | < 70 % | Matig COPD |
| 30 - 50 % | < 70 % | Ernstig COPD |
| < 30% | < 70% | Zeer ernstig COPD |
| < 80 % | > 70 % | Restrictief Longlijden |
Flow-volumecurve
De meeste spirometers produceren ook flow-volumecurves.
Zoals de naam al aangeeft wordt de flow (in ltr./seconde) uitgezet tegen het volume. In het diagram is dus geen tijdsas aanwezig, zodat er geen één-secondewaarde uit af te lezen is.
Het interpreteren van flow-volumecurves valt buiten het bestek van deze handleiding. Er wordt geadviseerd dit over te laten aan een huisarts die daar een speciale vaardigheid in heeft opgebouwd en deze ook onderhoudt, bij voorkeur in samenspraak met een longarts.
Controlespirogram
Bij uitslagen welke sterk van een vorige meting afwijken wordt geadviseerd na zes weken het onderzoek te herhalen.
Registratie
De spirometers leggen de noodzakelijke patiëntgegevens en meetresultaten vast en houden die vast, zodat er vergeleken kan worden met eerdere metingen. De waarden worden vastgelegd in Medicom, het liefst via elektronisch protocol 'Spirometrie'.