Inventarisatie praktijkpopulatie met astma of COPD

 

Inleiding

Bij de gestructureerde aanpak van een bepaald probleem is het van belang de omvang ervan te kennen. Dat is niet anders bij de organisatie van de astma- en COPD-zorg in de praktijk.

Inzage in omvang en opbouw van de astma- en COPD-populatie is van belang bij:

Het inventariseren van de praktijkpopulatie is bij uitstek een taak die kan worden gedelegeerd naar ondersteunend personeel (praktijkondersteuner). Pas als de inventarisatie van praktijkniveau over gaat naar patiëntniveau wordt er weer een huisartsenactie gevraagd.

Om u een indruk te geven over de hoeveelheid patiënten die bij een dergelijke selectie te verwachten zijn: de officiële prevalentie in de huisartsenpraktijk voor astma is 13/1000 en voor COPD 12-20/1000. Uiteraard spreiden de praktijkcijfers zich fors rond deze getallen. De oorzaak daarvan kan zowel gelegen zijn in de specifieke populatie van de praktijk als in de registratie van astma/COPD-patiënten.

 

Selecteren

Er zijn meerdere methoden om de patiënten met astma of COPD te selecteren. De voor uw situatie geschikte methode is afhankelijk van hoe u uw EMD gebruikt.

Als u de meeste spreekuurcontacten volgens de ICPC codeert, dan is een selectie op ICPC-code een geschikte en snelle methode. Is dat niet het geval dan kunt u waarschijnlijk beter op medicatie (ATC-code) zoeken. Nadeel daarvan is dat het veel langere lijsten met patiënten oplevert. Die lijsten moeten vervolgens handmatig worden nagelopen en waar dat nog niet is gebeurd moet de patiënt worden voorzien van de juiste ICPC-code. Als u gewend bent voor longaandoeningen de ruiter LO te gebruiken is dit mogelijk een geschikte ingang. Ga voor uzelf steeds kritisch na of een bepaalde selectiemethode haalbaar is in uw praktijk.

Het combineren van zoekmethodes is in de meeste gevallen aan te bevelen of zelfs noodzaak.

We kunnen de volgende methoden onderscheiden:

  1. Via ICPC-codering in het journaal of in de problemenlijst. De volgende coderingen komen in aanmerking: R95 (COPD), R96 (astma) en eventueel R91 (chronische bronchitis; veel COPD-patiënten werden in het verleden gelabeld met de diagnose chronische bronchitis)

    De meest nauwkeurige methode, maar uiteraard alleen bruikbaar als er consequent ICPC-coderingen worden aangemaakt.

  2. Ruiter LO.
    Differentieert niet tussen astma en COPD en kan ook worden gebruikt voor andere longaandoeningen. De selectie zal dus handmatig nog moeten worden verfijnd.

  3. Medicatie.
    Selecteren op -mimetica (R03AC), inhalatiecorticosteroïden (R03BA), parasympaticolytica (R03BB) en theofyllinederivaten (R03DA) of op CARA-medicatie in het algemeen (R03).

    Zelf uit te voeren of als dienst te vragen van de apotheek of apotheken waar veel van uw receptuur wordt verwerkt.
    Selecteert patiënten waarbij de diagnose chronisch obstructief longlijden of astma bevestigd is of wordt vermoed, maar differentieert niet tussen beide. Patiënten die langdurig geen medicijnen hebben gebruikt, kunnen buiten deze selectie vallen.

  4. Meetwaarden. 
    Als u gebruik maakt van de meetwaardemodule van uw Medicom, kunt u gebruikmaken van een selectie van alle patiënten bij wie een piekstroom of een FEV1 is geregistreerd.

    Hierbij kunt u patiënten missen bij wie de spirometrie niet in eigen beheer werd uitgevoerd. Anderzijds worden patiënten ten onrechte geselecteerd, waarbij om diagnostische reden spirometrie werd uitgevoerd zonder dat dat leidde tot de diagnose astma/COPD.

  5. Contacten, herhaalreceptuur of geheugen.
    U noteert:

    • Alle patiënten die u consulteren en waarvan bij u bekend is dat zij astma of COPD hebben;

    • Alle patiënten die herhaalreceptuur aanvragen voor astma of COPD;

    • Alle patiënten met deze aandoening uit uw geheugen.

    Dit zijn bewerkelijke, trage en onbetrouwbare methoden.

Zie verder hoe te selecteren in Medicom

 

Controleren

De op bovenstaande wijze verkregen lijsten met geselecteerde patiënten dienen door de huisarts op juistheid te worden gecontroleerd. Met andere woorden: staat de betreffende patiënt terecht op de lijst? Hiervoor geldt in het algemeen gesproken dat het resultaat van de selectie op ICPC-code betrouwbaarder zal zijn dan bij selectie op andere criteria. Maar ook de lijst geselecteerd op ICPC-code zal gecontroleerd moeten worden. Dit kan als een selectieronde op patiëntenniveau worden beschouwd. Daarbij is het antwoord op de vraag of de patiënt terecht als astma- of COPD-patiënt is geselecteerd van groter belang dan de differentiaal diagnostiek tussen de beide longaandoeningen. De differentiaaldiagnostiek kan als een van de subdoelstellingen tijdens het doorlopen van het verdere traject worden gedefinieerd. Bij een eventuele verdere verfijning van de selectie zullen de volgende argumenten sterk pleiten tegen een plaats op de COPD-lijst:

 

Resultaat

Aldus kan men komen tot een drietal lijsten:

  1. Met zekerheid astma;

  2. Met zekerheid COPD;

  3. Astma, COPD of onduidelijke diagnose.

De intentie van de inventarisatieslag is het ondersteunen van de werkplanning, met als bijproduct het verfijnen van de registratie.

Daartoe voorziet de praktijkondersteuner, voor zover dat nog niet gedaan is, de astma- en de COPD-groep (lijst 1 en 2) in het EMD van de juiste ICPC-codering voorzien (R95 = COPD en R96 = astma). Bij groep 3 is verdere verfijning van de selectie en zo mogelijk diagnostiek door de praktijkondersteuner gewenst. Voor de werkplanning kan men groep 3 het beste beschouwen als ‘COPD tot het tegendeel bewezen is’. Als men later voor groep 3 het controleschema voor COPD aanhoudt, dan wordt een ieder op die lijst uiteindelijk een keer ingepland voor spirometrie. Dat is dan het moment om volgens de aanbevelingen van diagnostiek, tot een zuivere diagnose te komen.

Om het resultaat van deze selectieslag niet verloren te laten gaan, zodat u de lijst bijvoorbeeld ook voor het oproepen van patiënten kunt gebruiken, kunt u overwegen alle geselecteerde patiënten te ruiteren of de selectie te bewaren.