Een belangrijke doelstelling in de behandeling van astma/COPD is het zo veel mogelijk consolideren van de longfunctie. Bepalend daarbij is het jaarlijkse verlies aan FEVgroepen de volgende getallen worden aangehouden: COPD 40 tot 100 ml/jr.
Inleiding
Het doel van de controles bij astma en COPD is te beoordelen in hoeverre het streefdoel van de behandeling is bereikt en of bijstelling van de behandeling noodzakelijk is. In het volgende protocol wordt een voorstel gedaan voor een algemeen controleprotocol, waarbij het uitgangspunt is dat een belangrijk deel van de werkzaamheden door een praktijkondersteuner (PO) kan worden uitgevoerd. Nadrukkelijk wordt erop gewezen dat in dit protocol de streefdoelen voor controle van de astma/COPD-patiënt in algemene zin zijn geformuleerd. Voor de meeste patiënten zullen deze streefdoelen bruikbaar zijn, maar er zijn ook patiënten waarbij ze niet (meer) haalbaar blijken. In die gevallen zullen er individuele streefdoelen moeten worden geformuleerd en vastgelegd. Op het registratie- en communicatieformulier kunnen de nieuwe grenswaarden waartoe de huisarts besluit worden vastgelegd. In Prodigmo (het digitaal monitoring protocol dat door het NHG is ontwikkeld) wordt een vergelijkbare systematiek aangehouden.
Streefdoel
In de NHG-Standaard is het streefdoel bij de behandeling van astma als volgt geformuleerd: met behulp van medicatie in de laagst effectieve dosering, met de laagste toedieningsfrequentie en ten koste van de minste bijwerkingen:
het bereiken van geen of weinig klachten bij normale dagelijkse activiteiten en tijdens slapen;
het voorkomen, of tijdig behandelen, van exacerbaties;
het bereiken of behouden van een optimale longfunctie.
Het streefdoel bij de behandeling van COPD is als volgt geformuleerd:
met behulp van medicatie in de laagst effectieve dosering, met de laagste toedieningsfrequentie en ten koste van de minste bijwerkingen:
het verminderen van klachten;
het verbeteren van longfunctie en inspanningsvermogen;
het voorkomen, of tijdig behandelen van exacerbaties;
het vertragen van het verval van longfunctie;
het voorkomen van complicaties en invaliditeit.
Een belangrijke doelstelling in de behandeling van astma/COPD is het zo veel mogelijk consolideren van de longfunctie. Bepalend daarbij is het jaarlijkse verlies aan FEV1. Daarvoor kunnen bij de verschillende groepen de volgende getallen worden aangehouden:
| Fysiologisch | 20-30ml/jaar |
| Rokers | 60 tot ≥ 100ml/jaar |
| Ex-rokers | Daling naar de fysiologische norm binnen 5 jaar. |
| Astma | fysiologisch tot licht verhoogd (40 ml/jaar.) |
| COPD | 40 tot ≥100 ml/jaar. |
In de bovengenoemde lijstjes zijn korte- en langetermijndoelstellingen opgenomen. De laatste lenen zich niet echt voor evaluaties tijdens reguliere controles: De streefdoelen met een subjectief toetsingscriterium en de beoordeling van exacerbaties lenen zich daarvoor wel. De hierboven geformuleerde streefdoelen zijn van algemene aard. Veelal zullen streefdoelen moeten worden geïndividualiseerd. Reden daarvoor zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat het ook bij optimale therapie niet lukt de patiënt klachtenvrij te krijgen. Het is de huisarts die deze geïndividualiseerde streefdoelen vaststelt, eventueel in samenspraak met de praktijkondersteuner. De praktijkondersteuner wordt in ieder geval op een eenduidige wijze op de hoogte gesteld van de nieuwe, alleen voor de betreffende patiënt geldende, streefdoelen.
Het meten van streefdoelen
Bij COPD is de spirometer een belangrijk instrument bij het meten van de streefdoelen. Daarmee wordt de longfunctie, en het verval ervan, goed in kaart gebracht.
Voor alle andere streefdoelen is de anamnese het belangrijkste instrument. In dit protocol wordt een poging gedaan zo veel mogelijk structuur aan te brengen in die anamnese, zodat de resultaten betrouwbaar zijn, goed kunnen worden vastgelegd en met elkaar kunnen worden vergeleken.
Eén van de instrumenten bij het beoordelen van de conditie van de patiënt is de gemodificeerde Vragenlijst Periodieke CARA-controle van de Werkgroep Onderzoek Kwaliteit (WOK) uit Nijmegen ‘Vragenlijst beperkingen door astma/COPD’. De vragenlijst kan standaard aan alle patiënten ter invulling worden aangeboden en bijvoorbeeld aan het eind van ieder consult worden meegegeven. Het invullen van de vragenlijst dient kort voor de volgende controle te gebeuren.
Registratie
Ten behoeve van de registratie op een andere wijze, maar vooral ook voor de communicatie tussen praktijkondersteuner en huisarts en voor het vastleggen van individuele streefdoelen is aan dit protocol het ‘registratie- en communicatieformulier en een toelichting toegevoegd.
De registratie vindt zoveel mogelijk plaats via elektronisch protocol (of labaanvragen) in Medicom.
Controlefrequentie
In de instellingsfase, c.q. bij verandering van medicatie, wordt het effect van de verandering in beleid om de twee weken gecontroleerd en geëvalueerd. Het vastleggen van de controleresultaten gebeurt idealiter in de computer, in voorgestructureerde schermen behorend bij astma/COPD-controle (Prodigmo). Voor een uitgebreide behandeling van de diverse aspecten van een goede registratie wordt verwezen naar registratie.
Uitvoering van de controle
Werkverdeling
De huisarts ziet de patiënt minimaal eenmaal per jaar. Dit is onafhankelijk van de controlebevindingen. Dit consult kan worden voorbereid door de ondersteunende praktijkmedewerkers. Afhankelijk van de mogelijkheden die men in de praktijk heeft, en de keuzes die men ten aanzien van de organisatie heeft gemaakt, kunnen de verschillende onderdelen van de controle geheel of gedeeltelijk door anderen dan de huisarts worden uitgevoerd. De hier gehanteerde grenzen zijn veilig en verantwoord, maar zullen door sommigen als krap worden ervaren. We gaan er vanuit dat in een stabiele situatie het afronden van de controle door de praktijkondersteuner verantwoord is. De opgedane ervaring en de individuele leercurve van de praktijkondersteuner zullen in een belangrijke mate bepalen, waar grenzen aan de verantwoordelijkheid worden gevoeld of gesteld.
In samenspraak komt men tot werkafspraken waarin uiteindelijk, per praktijk, wordt vastgelegd waar de grenzen van ieders competentie liggen. Bij een instabiele situatie bepalen de klachten en het onderzoek van de patiënt de controlefrequentie.
Buiten de instellingsfasen om gelden de volgende adviezen ten aanzien van de controlefrequentie:
| contole | door | |
|
INTERMITTEREND ASTMA ( ≤1/wk symptomen) |
Op initiatief Pt. | HA |
|
PERSISTEREND ASTMA (> 1/wk symptomen = astma met onderhoudsmedicatie) |
||
|
Mild
(streefdoelen behaald met lage tot matige doseringen inhalatiecorticosteroïden)Stap 2 medicatie |
2 - 4 / jr
|
PA / PO / HA
|
|
Matig (streefdoelen behaald met een matige dosis inhalatiecorticostroiden i.c.m. een langwerkend ß2-sympathicomimetica of een hoge dosis inhalatiecorticostroïden) Stap 3 medicatie |
4 / jr | PO / HA / Longarts |
|
Ernstig
(streefdoelen niet behaald ondanks bovengenoemd of zwaarder therapieschema) Stap 4 medicatie |
4 / jr | Longarts / (HA) |
|
In een stabiele situatie bij: COPD |
||
| Mild (FEV1 ≥ 80%) | 1 / jr | PO/HA |
| Matig (FEV1 50-80%) | 1 - 2 / jr | PO/HA |
| Ernstig (FEV1 30-50%) | 2 / jr of vaker | Longarts of HA; spirom |
| Zeer Ernstig (FEV1 < 30%) | 2 / jr of vaker | Longarts; spirom |