Zorgverzekeraars Nederland en voorstel voor financieringsmodel
Huisartsenzorg

18.06.'03
Op de mailinglisten van huisartsen circuleert sedert dit weekend bijgaand
voorstel van ZN tot vergaande reorganisatie van de financiering van de
huisartsenzorg. Het hier getoonde voorstel is een niet formeel en gescand
document en kan daarom fouten bevatten.
Enkele sleutelbegrippen:
Verrichtingensysteem op basis van consulten
Variabele lokale opslag a.h.v. praktijkplan
Geen inschrijving op naam
Goede sturingsmogelijkheden zorgverzekeraars
Zorgverzekeraars Nederland
Voorstel financieringsmodel huisartsenzorg
1 eerstelijns zorg
1.0. Aanleiding
Inleiding
Het herzien van het financieringsmodel van huisartsen is al enkele jaren
onderwerpen van gesprek. De commissie Biesheuvel en de commissie Tabaksblat
werden in het leven geroepen om daartoe voorstellen te doen. De voorstellen
waren wellicht ingrijpend, ongewenst of hadden de tijd niet mee. Het is
nooit tot uitvoering van deze voorstellen gekomen. Maar wijziging van het
financieringsmodel wordt steeds pregnanter.
De huidige wijze van financieren van huisartsenzorg wordt ervaren ais een
"kerstboom" waaraan afgelopen jaren veel te veel ballen zijn gehangen. Door
zorgverzekeraars wordt al enige jaren gepleit voor vereenvoudiging van het
aantal tarieven in de huisartsenzorg, Maar er worden meer knelpunten in de
financieringsstructuur ervaren.
De werkdruk onder huisartsen wordt als veel te hoog ervaren terwijl als
gevolg van het financieringssysteem nauwelijks inzicht bestaat in de
geleverde productie. Het huidige abonnementsysteem heeft geen prikkel in
zich om tot extra productie te komen. Ook nodigt het abonnementsysteem niet
uit tot onderhandeling en het afsluiten van een contract.
Zorgverzekeraars kunnen momenteel nauwelijks sturing uitoefenen in de
huisartsenzorg en contracten komen moeizaam tot stand. Tegelijkertijd is het
besef ontstaan dat huisartsenzorg in het geheel van de
eerstelijnsgezondheidszorg Mast worden bezien. Er zijn rapporten verschenen
waarin taakdelegatie, taakherschikking worden gepropageerd en waarin
nadrukkelijk een andere inrichting van de eerstelijn wordt voorgestaan.
Een van de vereisten van taakdelegatie, substitutie is een gelijkvormige
financieringsstructuur voor de hele eerstelijn. Alleen op die wijze kan het
hoofd geboden aan de ervaren werkdruk van huisartsen en het verstoken
blijven van zorg voor een specifieke groep verzekerden.
Ontwikkelingen in het afgelopen
jaar
Vorig jaar is, tot grote teleurstelling van de zorgverzekeraars, een
voorstel voor invoering van een lokale component huisartsenzorg afgewezen.
Dit was een voorstel op basis van het Tabaksblat rapport maar is niet
geëffectueerd vanwege het ontbreken van Macro Budget.
Onlangs heeft Minister de Geus met de brief Zorg in de buurt, van VWS d.d.
maart 2003 aan de Tweede Kamer de herziening van de financiering
huisartsenzorg wederom op de agenda gezet. In de brief heeft VWS het
voornemen om het CTG op korte termijn een aanwijzing te geven voor
herziening van de tariefstructuur huisartsenzorg De voorbereidingen voor
deze aanwijzing zijn in volle gang.
Het bureau van ZN is vanaf begin 2003 bezig met het ontwerpen van een
financieringsmodel die recht doet aan de wensen van de zorgverzekeraars en
de voorstellen van de commissie Tabaksblat, het hoofd biedt aan de eerder
genoemde knelpunten, een grote lokale component in zich heeft en
macroneutraal kan worden ingevoerd. Daartoe is in de afgelopen weken een
werkgroep, bestaande uit deskundigen van diverse zorgverzekeraars
geformeerd, die het model verder heeft uitgewerkt.
In deze notitie zal achtereenvolgens worden
ingegaan op het voorstel voor wijziging van de financieringsstructuur
huisartsen, de relatie met de voorstellen van de commissie Tabaksblat,
enkele gevolgen van het gekozen model, de inrichting van de
ondersteuningsstructuur, een doorkijk naar een voorstel voor wijziging van
de financieringsstructuur voor de gehele eerstelijn, het tijdspad en een
communicatieparagraaf.
2.0. Beschrijving nieuw
financieringsmodel
De onderstaande beschrijving van het nieuwe
financieringsmodel huisartsenzorg is een model op hoofdlijnen. Het model is
geënt op de wens die is uitgesproken in het bestuur van Zorgverzekeraars
Nederland, namelijk de introductie van een verrichtingensysteem dat
ondermeer loon naar werken waardeert en prikkels tot productie heeft. Bij
verdere uitwerking zal ook nadere detaillering worden toegevoegd. in het
tijdspad is een moment voorzien waarop de details nader moeten zijn
ingevuld.
2.1. Het financieringsmodel
Gekozen is voor een volledig verrichtingensysteem op basis van consulten. In
navolging van de overige beroepsgroepen dient het onderscheid tussen
particulier en ziekenfonds te vervallen. De huidige tarieven worden zoveel
mogelijk vervangen door een consult. Er wordt een onderscheid voorgesteld in
een gewoon consult (ongeveer 10 minuten), een telefonisch consult, een
visite en een praktijkondersteuner consult (po consult). Voor bepaalde. nog
nader te definiëren, patiënt categorieën is het mogelijk een dubbel consult
te declareren.
Gedacht kan hierbij worden aan terminale patiënten en chronische patiënten,
etc. Voorkomen moet worden dat er een prikkel voor huisartsen ontstaat om
alleen de makkelijke patiënt categorieën te behandelen. De invoering van een
po consult stimuleert enerzijds om een verdere uitrol van
praktijkondersteuners te
bewerkstelligen, anderzijds is het een prikkel tot het leveren en
inzichtelijk krijgen van de productie van een praktijkondersteuner.
Belangrijk is de introductie van een lokale variabele opslag. Deze kan
alleen verkregen worden als de huisarts extra financiering middels een
praktijkplan onderbouwt. Op deze wijze kan extra financiering worden
verkregen voor bijvoorbeeld huisvesting, samenwerking,
praktijkondersteuning, FTO, achterstandsprojecten, etc.
Maar ook een volledig andere inrichting van de huisartsenzorg moet hierdoor
kunnen worden bekostigd. Bijvoorbeeld financiering van een triagesysteem,
zoals een call center. Ook de opschaling naar (multidisciplinaire)
samenwerkingsverbanden en inkoop van professionele ondersteuning ter
verbetering van het primaire proces kunnen in het nieuwe financieringsmodel
worden bekostigd. De subsidiefinanciering van de klassieke gezondheidscentra
kan hiermee geïntegreerd worden in de reguliere financiering.
Daarnaast zullen er nog een beperkt aantal modules blijven bestaan, dit
betreft specifieke taken zoals verloskunde en apotheekhoudende huisartsen,
Zowel de lokale opslag als de modules kunnen alleen na overeenstemming met
de zorgverzekeraar op basis van het praktijkplan worden gedeclareerd.
Op deze wijze zullen veel van de huidige tarieven vervallen. Genoemd kunnen
worden: praktijkondersteuning (inclusief de infrastructuur)
achterstandsfonds
achterstandstarief
apotheekhoudend
modules automatisering, FTO, nascholing, D&O
module voor verzekerden in moeilijk bereikbare gebieden
tarieven verloskundige hulp ziekenfonds
etc.
De belangrijkste aspecten van het model zijn weergegeven in een schematisch
overzicht (bijlage l).
2.2. Financiering bij
macroneutralitelt
Het ministerie van VWS heeft aangegeven dat
een wijziging van de financieringsstructuur macroneutraal dient te
geschieden. De werkgroep is van mening dat een macroneutrale invoering
mogelijk is. Echter een systematiek met maximumtarieven of plafondbedragen
is niet acceptabel daar het de substitutiemogelijkheid beperkt en ongewild
er voor kan zorgdragen dat zorgaanbieders nog steeds te veel of te weinig
financiering krijgen. Het ligt dan eerder in de rede om een ventiel in te
bouwen dat verhoging of verlaging van tarieven over alle zorgaanbieders op
een zelfde wijze verdeelt, bijvoorbeeld door een op of afslag op de
landelijke tarieven.
De eis tot macroneutraliteit zal de acceptatie bij beroepsbeoefenaren niet
vergemakkelijken. Echter een fulltime werkzame huisarts kan via consulten
zijn volledige honorarium en een gedeelte (60%) van het kostendeel
declareren. Dit betekent dat in de consulttarieven het volledig
honorariumdeel van de huisarts en een beperkt kostendeel van de huisarts
wordt verwerkt. Uitgangspunt hierbij is dat gedeelte van de huisartsen
momenteel "verdient" op het kostendeel en di, dus eigenlijk niet nodig heeft
ter dekking van de kosten. Het aandeel kosten (40%) dat een gedeelte van de
huisartsen niet meer zal verkrijgen, kan door zorgverzekeraars worden
ingezet voor bekostiging van de loicale variabele opslag.
Op basis van de huidige gegevens wordt geschat dat ongeveer 30% van de
huisartsen geen gebruik zal maken van de mogelijkheid om middels een
praktijkplan extra financiering via de lokale variabele opslag te krijgen.
Op deze wijze zal een deel van de overige huisartsen meer of minder dan de
huidige 30% kostenopslag kunnen krijgen. De voorikeur gaat er naar uit om
geen plafond voor de variabele opslag vast te leggen. Zorgverzekeraars
dienen er dan voor zorg te dragen dat het macrobudget niet wordt
overschreden. Deze zelfde systematiek werkt momenteel heel goed bij de
invoering van praktijkondersteuning.
2.3. Praktijkplan
Een belangrijk nieuw instrument in het
herziene financieringsmodel is het praktijkplan. Hierin dient de
zorgaanbieder goed onderbouwd aan te geven waarvoor extra financiering
gewenst is. In het praktijkplan kunnen taken, de organisatie, samenwerking,
onderbouwing van de kosten, kwaliteitsaspecten en prestatie indicatoren (wat
krijgt de ciiënt / zorgverzekeraar ervoor) worden weergegeven.
Zorgverzekeraars kunnen zelf criteria voor een dergelijk praktijkplan
vaststellen. Gezien de wens van veel zorgverzekeraars om drastisch de
huisartsenzorg te reorganiseren is het zelfs mogelijk dat de zorgverzekeraar
een huisarts of groep huisartsen een praktijkplan aanbiedt, waarin
verschillende opties zoals ondersteuning, samenwerking en triage zijn
voorzien.
In de aanvangfase kunnen, indien gewenst,
voorbeeldcriteria of voorbeeld praktijkplannen door ZN worden aangereikt.
3.0. Relatie met voorstellen van de
commissie Tabaksblat
De werkgroep heeft de resultaten en
aanbevelingen van de commissie Tabaksblat betrokken bij de analyse. Zoals
blijkt uit bovenstaand model worden de aanbevelingen gedeeltelijk
onderschreven maar gedeeltelijk ook niet. Onderschreven wordt het streven om
een marktsituatie te realiseren, het introduceren van verrichtingensysteem
en een praktijkplan. Het hanteren van een (kleiner) abonnement gecombineerd
met een (groter) verrichtingensysteem is niet overgenomen. Belangrijkste
reden hiervoor is dat een dergelijk systeem administratief ingewikkeld is:
én inschrijving op naam én een arbeidsintensiever verrichtingensysteem moet
worden gehanteerd. Om meer inzicht en mogelijkheden tot sturing te krijgen
in de productie van de huisarts is gekozen voor een volledig
verrichtingensysteem. Inschatting is dat de administratieve belasting van
een volledig verrichtingensysteem met de huidige automatiseringsystemen goed
uitvoerbaar is. Het eveneens arbeidsintensieve systeem van Inschrijving op
naam kan met introductie van het voorgestelde model dan vervallen.
4.0. Enkele gevolgen van het nieuwe
model
Een fundamentele herziening van de
financieringsstructuur huisartsenzorg zoals voorgesteld in paragraaf 2 kan
ingrijpende gevolgen hebben voor zowel de individuele beroepsbeoefenaren als
voor zorgverzekeraars. Hieronder volgt een kort overzicht van enkele
mogelijke gevolgen.
Regionale onderhandeling contract l
praktijkplan
In de nieuwe structuur wordt een actieve bijdrage gevraagd van de (lokale)
zorgverzekeraars bij beoordeling van de praktijkplannen. Een groot gedeelte
van de huisartsen zal een beroep willen doen op de lokale variabele opslag.
Bij de farmacie is al enige ervaring opgedaan met het beoordelen van
praktijkplannen. Voordeel van het systeem is dat een goed inzicht ontstaat
in de productie van de huisartsen en dat het voor zorgverzekeraars mogelijk
wordt hierop beleid en sturing uit te oefenen, Met introductie van het
praktijkplan ontstaat een (financiële) prikkel voor de huisarts om een
contract met zorgverzekeraars af te sluiten. Het contracteren van meerdere
huisartsen tegelijk, op DHV , RHV , of Hagroniveau is in dit model mogelijk,
evenals het contracteren van de klassieke solist.
Het tegelijk contracteren van meerdere zorgaanbieders heeft de voorkeur,
daardoor zal namelijk het aantal individuele opslagtarieven verminderen.
Verder is van belang dat de overeenstemming over de lokale variabele opslag
en hantering van modules kan worden overeengekomen met de preferente
zorgverzekeraar. De overige zorgverzekeraars kunnen een dergelijke afspraak
volgen. Hulpmiddel hierbij kan zijn dat de regionale afspraken worden
vastgelegd in een landelijke database (conform afspraken in de fiexizorg,
farmacie).
Probleem Niet Op Naam Ingeschreven lost op
Omdat sprake is van loon naar werken en extra productie ook extra inkomsten
betekenen, is de verwachting dat met hogere productie en betere organisatie
de noni problematiek in principe tot het verleden behoort.
Tarieflkostenverlaging particuliere zorgverzekeraars
Mede als gevolg van verlaging van het kostendeel in berekening van de
consulttarieven en hanteren van een uniform tarief voor particulier en
ziekenfonds zal het nieuwe consulttarief met grote waarschijnlijkheid lager
uitvallen dan het huidige particuliere tarief. Mogelijk zal hierdoor de
verhouding tussen de particuliere en ziekenfondsfinanciering wijzigen.
In de verdere uitwerking zal hiervoor nadrukkelijk aandacht worden gevraagd
bij Het ministerie van VWS en het CTG.
Toename aantal tarieven
Met de introductie van een lokale variabele opslag die per aanbieders
(groep) kan verschillen kan een veelheid aan tarieven ontstaan, De werkgroep
heeft de voorkeur uitgesproken om in ieder geval voor de startfase een groep
van opslagen te hanteren (bepaalde bandbreedte) zodat het aantal opslagen
wordt beperkt. Tevens kan het aantal tarieven in eerste aanleg beperkt
worden door in de startfase de preferente zorgverzekeraar een tarief te
laten vaststellen dat door andere zorgverzekeraars gevolgd kan worden.
Loon naar werken
Het hanteren van een verrichtingensysteern heeft tot gevolg dat huisartsen
met een relatief ongezonde populatie (grote steden, ouderen) veel productie
zullen maken en dus in inkomen zullen stijgen. De huisarts in de gezondere
buitenwijken en in dorpen zal daarentegen met het nieuwe systeem zijn
inkomen zien dalen, omdat hij relatief minder consulten per patiënt heeft.
Voordeel van dit systeem is dat arbeid nu ook, wordt beloond. Het hanteren
van een achterstandstarief is daarmee niet meer nodig. De desbetreffende
huisartsen doen immers meer en mogelijk langere consulten die met het nieuwe
model worden gehonoreerd.
Eventuele achterstandsprojecten kunnen worden gehonoreerd middels de lokale
variabele component. De niet te voorkomen verschuivingen in het inkomen van
de individuele huisartsen is wel zaak om zorgvuldig mee om te gaan. Dit is
een punt van aandacht in verdere communicatie over het model. Van belang is
verder dat aanbieders de productie niet ongebreideld laten stijgen zonder
dat daarvoor een inhoudelijke onderbouwing bestaat. Zorgverzekeraars zijn
van mening dat met het nieuwe systeem zorgverzekeraars ook informatie over
de productie moeten ontvangen van zorgaanbieders zodat sturing middels
benchmarking, kwaliteitsafspraken, volumeafspraken, etc. mogelijk is.
5.0 Beschrijving financieringsmodel eerstellijn
In paragraaf 2 is een beschrijving gegeven van het financieringsmodel voor
de huisartsenzorg. Maar zoals aangegeven in het ZN rapport Herstructurering
in de le lijn (september 2002) zijn zorgverzekeraars voorstander van
uniformering van de financieringsstructuur voor de gehele eerstelijn.
Alleen dan worden ontwikkelingen in de modernisering van de eerstelijn niet
gehinderd door de belemmeringen in de financieringsstructuur.
Zorgverzekeraars ervaren deze belemmeringen momenteel onder andere bij het
ontstaan van multidisciplinaire samenwerkingsverbanden, taakherschikking,
samen onder een dak gaan werken, zorglocaties aangekocht door de
zorgverzekeraars die gehuurd kunnen worden door aanbieders, dienstverbanden
al dan niet in dienst van de zorgverzekeraars, etc. Tot stand koming van het
in paragraaf 2 uitgewerkte financieringsmodel voor de huisartsenzorg is een
grote stap naar een uniform financieringssysteem voor de gehele eerstelijn.
Op dat moment bestaat binnen de gehele eerstelijn in principe financiering
op basis van een verrichtingensysteem en is het onderscheid tussen
particulier en ziekenfondstarieven vervallen. Nieuw voor de rest van de
eerstelijn zou het introduceren van een lokale variabele component, het
praktijkplan en de module ondersteuning zijn. De werkgroep pleit ervoor om
ook voor de rest van de eerstelijn deze wijzigingen door te voeren. In
paragraaf 6 zal apart worden ingegaan op de ondersteuningsstructuur voor de
gehele eerstelijn.
De belangrijkste aspecten voor wijziging van de tariefstructuur voor de rest
van de eerstelijn zijn weergegeven in het schematisch overzicht
(bijlage l).
6.0 De ondersteuningstructuur
De bestuurscommissie Zorg heeft zich uitgesproken voor een decentrale
financiering van de ondersteuningsstructuur voor de gehele eerstelijn.
In de eerstelijn is op dit moment sprake van een aparte organisatie en
financiering van de ondersteuningsstructuur per beroepsgroep. In grote
lijnen wordt op dit moment het volgende gefinancierd (takenpakket
ondersteuningsstructuur):
• Opzetten en onderhouden van regionale kantoren.
• Opzetten en onderhouden van regionale samenwerkingsverbanden van
beroepsbeoefenaren ter bevordering van de samenwerking.
• Implementatie van landelijk kwaliteitsbeleid en advisering bij specifieke
kwaliteitsvraagstukken. Gedacht kan worden aan implementatie van
richtlijnen, deskundigheidsbevordering, nascholing, etc.
• Praktijkondersteuning voor beroepsbeoefenaren. Waarbij inrichting van de
organisatie, bedrijfsvoering, ICT, juridische vragen, aan de orde komen.
• En soms ook ondersteuning bieden bij capaciteitsproblemen
(crisismanagement). Bedoeld of onbedoeld wordt via de
ondersteuningsstructuur nu ook de belangenbehartiging van de koepels
georganiseerd.
In het merendeel van de gevallen is sprake
van directe subsidies van VWS aan de respectievelijke beroepsorganisaties (KNOV,
KNGF, VBC/NVOM, KNMP). Alleen voor de LHV is enige jaren geleden gekozen
voor een centrale financiering via de premiegelden waarbij zorgverzekeraars
per verzekerde geld afdragen aan ZN. De zogenaamde D&O gelden worden via een
Stichting beheerd en uitgekeerd aan de LHV.
Zorgverzekeraars hebben aangegeven dat behoefte bestaat om op korte termijn
op lokaal niveau met het eerstelijnsaanbod afspraken te maken over taken en
organisatie van de ondersteuningsstructuur. De belangenbehartiging is een
taak van de koepels en deze hoort niet thuis in de ondersteuningsstructuur.
Om afspraken te kunnen maken moet zoveel mogelijk vrijheid gecreëerd worden
om de ondersteuningsstructuur, afgestemd op de lokale behoefte, vorm te
geven en mogelijk voor de gehele eerstelijn gezamenlijk te organiseren. De
verschillende organisaties die de ondersteuningsstructuur nu per
beroepsgroep uitvoeren, moeten kunnen worden samengevoegd. Ook zou de
mogelijkheid moeten bestaan om de ondersteuning bij een nieuwe organisatie
in te kopen al dan niet in eigen beheer van aanbieders of zorgverzekeraars.
Kortom er bestaat behoefte om meer ruimte en variëteit op dit vlak te
verkrijgen.
Met introductie van een module ondersteuningsstructuur ontstaat deze
gewenste behoefte. Wanneer een dergelijke module voor de gehele eerstelijn
wordt ingevoerd ontstaat de mogelijkheid om lokale afspraken te maken voor
de gehele eerstelijn. De subsidies van VWS kunnen grotendeels worden
beëindigd en de gelden moeten worden toegevoegd aan het premiekader. Door
hantering van een module ondersteuning kunnen zorgaanbieders er geen
trekkingsrechten aan ontlenen, maar moeten afspraken worden vastgelegd in
een praktijkplan 1 contract.
Subsidiëring door het ministerie van VWS blijft dan over de
wetenschappelijke verenigingen en het gedeelte deskundigheidsimplementatie.
De belangenbehartigingactiviteiten landelijk en lokaal dienen door de
zorgaanbieders zelf bekostigd te worden.
Inherent aan decentrale financiering van de ondersteuningsstructuur is de
vraag hoe we omgaan met de verre verzekerden. Decentrale financiering en de
keuze voor marktwerking betekent dat elke zorgverzekeraar zijn eigen
afspraken moet maken met beroepsbeoefenaren. Net als voor het maken van
afspraken over praktijkplannen (zie paragraaf 4) geldt dit ook voor de
module ondersteuning. in de praktijk komt het erop neer dat de grote
zorgverzekeraar(s) afspraken maken. De overige zorgverzekeraars (van z.g.
verre verzekerden) volgen veelal deze afspraken. De vraag is of
zorgverzekeraars zich op het gebied van de ondersteuning willen
onderscheiden? Of is net als bij de flexizorg sprake van behoefte aan
richtinggevende adviezen van ZN over het volgen van lokale afspraken /
tarieven door andere zorgverzekeraars. Ook de financiering van de
ondersteuning met particuliere ziektekostengelden kan in het gedrang komen.
In de detaillering zal dit aspect nader belicht worden en aan verschillende
adviescommissies worden voorgelegd.
7.0. Tijdpad
Daar de tijd dringt, is de werkgroep voorstander om bovenstaande
wijzigingen in de financiering van de huisartsenzorg / eerstelijn per 1
januari 2004 te effectueren. Onderstaand is verdere fasering aangebracht in
de tijd. Na wijziging van de financieringsstructuur (fase 1) waarin sprake
is van vaste tarieven kan gewerkt worden aan fase 2 waarin veel meer sprake
kan zijn van gedifferentieerde tarieven en afspraken op basis van
bijvoorbeeld productieprofielen. Dit traject moet nog volledig worden
uitgewerkt. De derde fase voorziet ook in mogelijkheden van vrije producten
en vrije tarieven. Hiervoor is een gezonde marktsituatie nodig. Het kan
daarom zo zijn dat dit nog enkele jaren kan duren, anderzijds is het ook
goed mogelijk ondertussen al experimenten hiermee uit te voeren of
gedeeltelijke openstelling te creëren.
Juni 2003.
• Behandeling van het voorstel in de
bestuurscommissie Zorg, bestuurscommissies Private en Sociale Ziektekosten
en begeleidingscommissie Huisartsen.
• Het voorstel met advies van BAC's en begeieidingscommissie ter accordering
voorleggen aan het bestuur van ZN.
Juli 2003
• Het model voorleggen aan het CTG, CVZ en
het ministerie van VVVS. Mogelijk dat dit kan leiden tot een directe
aanwijzing van de minister ter invoering van het model.
• Informeren van de LHV, LVG, NPOF en eventueel andere koepels van
zorgaanbieders.
• Aan de hand van de diverse overleggen starten met uitwerking van nadere
details. Met name de verkenning van de benodigde aanpassing aan
administratieve processen.
• Het in kaart brengen van mogelijke inkomens / kostenconsequenties en
noodzakelijke overgangstrajecten voor zowel zorgaanbieders als
zorgverzekeraars
September 2003
• Vaststelling van het model door het CTG
bestuur en goedkeuring door de minister van VWS.
• Model ter behandeling in het CTG traject brengen.
Oktober 2003 december 2003
• Voorbereidingstrajecten voor
zorgverzekeraars om tijdig klaar te zijn voor het nieuwe model.
• Ontwerpen van praktijkplan, prestatie indicatoren.
• Aanpassen UvO en modelcontracten ten behoeve van het nieuwe
financieringsmodel.
1 januari 2004
• invoering van de eerste fase van het
financieringsmodel voor huisartsen
8.0. Communicatieparagraaf
Regelmatig is het verwijt te horen dat zorgverzekeraars en zorgaanbieders
niets hebben gedaan met de voorstellen van de commissie Biesheuvel en
Tabaksblat. Ook in de procedure rond de invoering van een lokale component
waren verwijten te horen aan het adres van zorgverzekeraars, dat het
mislukken met op conto van zorgverzekeraars kan worden geschreven.
Een ander aandachtspunt is de negatieve wijze waarop zorgverzekeraars en
haar voorstellen in de afgelopen tijd zijn belicht. Het is daarom van
eminent belang om dit initiatief van zorgverzekeraars op de juiste manier te
promoten.
Communicatie met huisartsen
Gezien de moeilijke verhouding met de LHV en met name haar uitingen over
zorgverzekeraars doen vrezen dat huisartsen negatief over het model worden
voorgelicht. Vandaar dat noodzakelijk is dat de leden van ZN al vroegtijdig
in diverse gremia met huisartsen gaan praten over het model. Het kan in de
diverse periodieke overleggen worden ingebracht, of een zorgverzekeraar kan
naar eigen inzicht huisartsen of huisartsen groepen benaderen.
Actie:
• Direct na besluitvorming door het ZN bestuur, zal het bureau zorgdragen
voor informatiesets, die door zorgverzekeraars onder huisartsen verspreid
kunnen worden.
• Het ZN bureau zal de leden regelmatig bevragen hoe de gesprekken met
huisartsen verlopen.
• Het bureau van ZN zal contact zoeken met het bureau van de LHV om hen te
informeren over het model.
Communicatie met CTG, CVZ en VWS
Inmiddels zijn het CTG en VWS geïnformeerd
over de ontwikkeling van het model. De eerste reacties op het model waren
positief.
Actie:
Direct na besluitvorming door het ZN bestuur zal ook formeel het OTG, CVZ en
het ministerie van VWS op de hoogte gesteld worden van de visie van
zorgverzekeraars. Verzocht zal worden om overleg te kunnen voeren over de
verdere uitwerking van het model, teneinde het WTG traject in september 2003
te kunnen afronden.
Communicatie met LVG, NPCF en
andere koepels
Actie:
Het ZN bureau zal de LVG, NPOF en eventueel de andere koepels van
zorgaanbieders in de eersteiijn schriftelijk informeren over het model.
Desgewenst kan nader overleg gevoerd worden ter toelichting.
Communicatie met de politiek
Actie:
Ter informatie van de partijen in de Tweede Kamer zal een
publieksvriendelijke versie van deze notitie worden geschreven. Deze zal
schriftelijk worden aangeboden. De afdeling communicatie van ZN zal
zorgdragen voor het verder informeren van Kamerleden en fractiemedewerkers.
Communicatie met het publiek
Ten behoeve van het publiek en de media zal de publieksvriendelijke versie
openbaar beschikbaar zijn. Daarvoor zal ook berichtgeving in het ZN journaal
en op de ZN website beschikbaar zijn. Tevens zal een persbericht worden
opgesteld.
Actie: De publieksinformatie en het persbericht zal worden verspreid onder
bekende media, Eventueel zal een persbijeenkomst worden gearrangeerd om
vragen te beantwoorden.
|